21.9
Vrijdag 27.2.2026
1. Meditatie
Credo
De grote vastentijd is voor iedere christen een aansporing om werk te maken van een vuriger geloofsleven. Daarom onderbreken we even onze behandeling van de documenten van Vaticanum II en geven een beschouwing over de inhoud van het christelijk geloof, uitgedrukt in onze geloofsbelijdenis, het Credo.
De heilige Paulus geeft ons de oudste en krachtigste belijdenis: “Jezus is de Heer” (Romeinen 10, 9). Het was als de bazuinstoot van een heraut, die in de oudheid van dorp tot dorp trok om het belangrijkste nieuws “uit te bazuinen”, b.v. de geboorte van een koningszoon. We noemen dit het “kerygma” (Grieks voor verkondiging of boodschap), namelijk het Goede Nieuws gevat in een korte uitroep: Jezus Christus, gestorven en verrezen is de hoogste Heer. Hierna is verdere uitleg nodig en dat is de “catechese” (Grieks voor onderwijzen), het systematische geloofsonderricht.
Van het Credo (Latijn voor ‘ik geloof’) of de geloofsbelijdenis zijn ons vanuit de oudheid twee teksten overgeleverd, een kortere en een langere. De kortere tekst is die van de 12 artikelen van het geloof of de Apostolische geloofsbelijdenis of het Symbolum van de Apostelen, dat toegeschreven wordt aan de twaalf apostelen. Op zondagen en hoogfeesten wordt deze plechtig en staande gezongen of gebeden in de Eucharistie.
De langere tekst is die van het eerste oecumenisch concilie, dat gehouden werd in Nicea in 325, het huidige Iznik in Turkije, nu dus meer dan 1700 jaar geleden. Dit wilde de ketterij van de Alexandrijnse priester Arius krachtig afwijzen. Hij beweerde dat Jezus niet gelijk was maar ondergeschikt aan de Vader. Deze dwaling had sinds 315 veel aanhang, ook aan het hof van Constantinopel. Nicea stelde ondubbelzinnig dat Jezus in wezen gelijk is aan de Vader. Athanasius (+ 373) patriarch van Alexandrië was de bekendste verdediger van Nicea en werd daarom tot vijfmaal toe verbannen.
Het arianisme woekerde echter verder totdat het tweede oecumenisch concilie gehouden werd, Constantinopel I (in 381), dat de leer van Nicea bevestigde en aanvulde met de verklaring dat ook de heilige Geest in wezen gelijk is aan de Vader en de Zoon. Het mysterie van de Drie-ene God kunnen we met ons menselijk verstand niet helemaal doorgronden, maar het is niet onredelijk. Vader, Zoon en heilige Geest zijn als God in wezen aan elkaar gelijk. Aan de Vader wordt de schepping toegeschreven, aan de Zoon onze verlossing en aan de Geest onze heiliging. De Vader geeft, de Zoon vergeeft en de heilige Geest is de heiligende vergeving van de wederzijdse liefdesstroom tussen de Vader en de Zoon.
Van God de Zoon belijden we dat hij geboren is uit de maagd Maria, gekruisigd onder Pontius Pilatus, gestorven, begraven, op de derde dag verrezen en opgestegen naar de Vader. Vandaar zal Hij aan het einde der tijden terugkeren om allen te oordelen. Van de Kerk die Jezus stichtte, belijden we dat ze in zich, hoewel aards, ook hemels is, één, heilig, katholiek (= universeel, voor alle mensen) en apostolisch (gebouwd op de apostelen). We belijden dat alle christenen in verleden en heden, gestorvenen en levenden één gemeenschap vormen, het Mystieke Lichaam van Christus. Tenslotte belijden we dat we eens met Christus zullen verrijzen.
Neen, het credo drukt niet het gehele christelijke geloof uit – dat wordt ons in de heilige Schrift en de traditie gegeven – maar het zet veilige grenspalen uit. Gaan we buiten deze afbakening met nieuwe, moderne uitdrukkingen, dan lopen we spoedig het gevaar te verdwalen. Over dogmatische formuleringen kunnen we blijven discussieren. Ook in oecumenische concilies zien we hoe gelooswaarheden soms op een andere manier uitgedrukt worden. De geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel is echter een zo onwrikbare tekst, door 17 eeuwen trouw meegedragen, dat niemand er aan denkt om deze te veranderen.
Vele bekeringsverhalen, ook van voormalige moslims, die christen worden zijn spectaculair. Allen ervaren op een bepaald ogenblik de overweldigende warmte van Jezus’ liefde, die hen al hun zonden vergeeft en heel hun leven doordringt. Deze ervaring maakt hen ook bekwaam om de grootste beproevingen te doorstaan met een diepe vrede in hun hart. Hun geloofsbelijdenis is een sterk levensgetuigenis dat vele anderen tot bekering kan brengen.
Hét voorbeeld van een oprechte belijdenis gaf de heilige Augustinus (+ 430). Hij schreef zijn autobiografie toen hij ongeveer 45 jaar was. De “mémoires” van de groten der aarde zijn dikwijls een zelfverheerlijking. De “belijdenissen” van Augustinus daarentegen zijn geheel anders en hebben een dubbele betekenis: hij belijdt ondubbelzinnig zijn zondig leven én de barmhartigheid en grootheid van God. Wat hij schrijft is zeer persoonlijk en zeer intiem. Tevens is het echter zo authentiek dat het daarom ook universeel is. Iedereen kan zich hierin herkennen.
Sommige bekeerlingen in onze tijd, zoals voormalige moslims, erkennen en belijden openlijk Jezus als hun enige Heer en verliezen daarmee alles wat hen tot heden dierbaar was, hun familie en vrienden, hun werk, hun eer… Wanneer voor hen de liefde van en voor Jezus meer waard is dan al wat zij voorheen bezaten, is dit ook voor ons een aansporing om in deze vastentijd een vuriger christen te worden.
P. Daniel
2. Apologie: Met een atheïst over Jezus spreken (8)
Hoe konden de Evangelisten Jezus’ woorden herrineren? (II)
Inleiding
Een veel gestelde vraag is hoe de discipelen van Jezus zijn woorden konden onthouden voordat de Evangeliën werden geschreven. Moderne mensen zijn gewend aan audio- en video-opnamen en verwachten vaak dat historische verslagen woordelijke transcripties zijn. Wanneer we de Evangeliën lezen, moeten we echter rekening houden met de manier waarop geschiedenis in de oudheid werd geschreven. De Evangeliën zijn historische biografieën, maar dat betekent niet dat zij woord-voor-woord verslagen zijn van alles wat Jezus zei. Het betekent wel dat de evangelisten de bedoeling hadden om betrouwbaar de essentie weer te geven van wat Jezus werkelijk zei en deed.
Historische biografieën en niet woordelijke transcripties[1]
Het is belangrijk om duidelijk te zijn over wat het betekent om te zeggen dat de Evangeliën historische biografieën zijn en wat het niet betekent. Het betekent niet dat de Evangeliën woordelijke transcripties zijn van wat Jezus zei en deed. Eén reden waarom dit benadrukt moet worden is dat het gemakkelijk is voor moderne mensen om historische waarheid gelijk te stellen aan woord-voor-woord nauwkeurigheid.
Aan de andere kant betekent het historische karakter van de Evangeliën wel dat de auteurs de intentie hadden om de essentie vast te leggen van wat Jezus werkelijk zei en deed.
De oude Griekse geschiedschrijver Thucydides (+ rond 400 v. Chr.) maakt bijvoorbeeld duidelijk dat historische toespraken niet noodzakelijk letterlijk werden weergegeven:
“Met betrekking tot de toespraken in deze geschiedenis, werden sommige voor het begin van de oorlog gehouden, andere tijdens de oorlog; sommige hoorde ik zelf, andere kreeg ik van verschillende kanten; het was in alle gevallen moeilijk om ze woord voor woord in iemands geheugen over te nemen; dus is het mijn gewoonte geweest om de sprekers te laten zeggen wat naar mijn mening van hen werd geëist in de verschillende gelegenheden, natuurlijk zo dicht mogelijk aansluitend bij de algemene zin van wat ze werkelijk zeiden.” (Thucydides, Geschiedenis van de Peloponnesische oorlog 1.22.1)[2]
Sommige toespraken waren gebaseerd op Thucydides’ eigen herinneringen en andere op getuigenissen van anderen. In alle gevallen probeerde hij zo dicht mogelijk bij de “algemene zin” te blijven van wat werkelijk gezegd werd.
Hetzelfde geldt voor de Evangeliën. Sommige woorden van Jezus zijn gebaseerd op de herinneringen van ooggetuigen, andere op mondelinge overlevering (zie Lucas 1,1-4). Het doel was niet om een woord-voor-woord verslag te geven, maar om de essentie van Jezus’ woorden vast te leggen.
Variaties in de woorden van Jezus
De Evangeliën zelf laten zien dat de evangelisten geïnteresseerd waren in echte geschiedenis, maar niet probeerden om letterlijke transcripties te maken. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de verschillende verslagen van de woorden van Jezus tijdens het Laatste Avondmaal (Matteüs 26:26-29; Marcus 14:22-25; Lucas 22:19-20; 1 Korintiërs 11:23-26). Deze teksten zijn niet identiek.
De nieuwtestamentische geleerde John Meier merkt hierover op:
“Er is echt reden om je af te vragen of de Evangelietraditie en de evangelisten wel zo bezorgd waren over de exacte bewoordingen van wat Jezus zei ... We hebben bijvoorbeeld vier verslagen van wat Jezus zei over het brood en de wijn tijdens het Laatste Avondmaal, ... en alle vier de versies verschillen onderling ... Het is duidelijk dat Jezus deze woorden alleen kon zeggen voordat zijn leven abrupt eindigde ... We hebben hier een veelzeggend gegeven: de ‘Eucharistische woorden’ waren van centraal belang voor de vroege Kerk – getuige hun vier formuleringen. Toch stond het belang voor de vroege Kerk garant voor overeenstemming in substantie, niet in exacte bewoordingen.”
Op vergelijkbare wijze benadrukt Joseph Ratzinger (Paus Benedictus XVI) dat de vier Evangelies “geen aanspraak maken op literaire nauwkeurigheid“ op de manier van een “opgetekend transcript“. Maar zij beweren wel dat zij “de essentie van de redevoeringen van Jezus“ correct weergeven [3].
De verwachtingen van het publiek in de oudheid [4]
De houding van mensen in de oudheid was anders dan die van moderne lezers. Zij leefden vóór de uitvinding van opnameapparatuur. Weinig mensen konden lezen en schrijven, en slechts enkelen waren getraind in stenografie om woorden exact vast te leggen.
Daarom verwachtten zij geen letterlijke citaten zoals wij dat vaak doen. Zij verwachtten dat teksten de kern of de betekenis van wat iemand had gezegd zouden weergeven, maar niet noodzakelijk de exacte woorden.
Zij wisten ook dat auteurs soms gesprekken moesten reconstrueren. Zonder opnameapparatuur is het immers moeilijk om precies te onthouden wat er bij een bepaalde gelegenheid is gezegd. Men kon meestal de inhoud onthouden, maar niet de exacte formulering, vooral niet na langere tijd.
In door God geïnspireerde teksten zoals de Bijbel had God natuurlijk de exacte woorden kunnen openbaren. Dat is mogelijk. Maar dat was niet wat de oorspronkelijke lezers verwachtten. Zij waren gewend aan historische werken waarin gereconstrueerde dialogen voorkwamen, en zij gingen ervan uit dat dit ook in de Schrift gebeurde, tenzij het tegendeel werd aangegeven.
Een belangrijk principe van goede bijbeluitleg is dat we de tekst lezen zoals het oorspronkelijke publiek dat deed. Daarom moeten ook wij begrijpen dat de Bijbel gebruikmaakt van gereconstrueerde dialogen.
Synoptische parallellen
Een duidelijke aanwijzing voor gereconstrueerde dialogen vinden we wanneer we verschillende verslagen van dezelfde gebeurtenis vergelijken.
Een voorbeeld is de uitdrijving van demonen bij de bezetene(n) van Gerasa/Gadara. In Marcus 5 wordt één bezetene genoemd en lezen we onder andere:
“Wat heb ik met U te maken, Jezus, Zoon van de Allerhoogste God? Ik bezweer U bij God, pijnig mij niet! … Mijn naam is Legioen, want wij zijn met velen … Stuur ons naar de zwijnen, laat ons daarin gaan.“ (Marcus 5, 7-12)
In Mattheüs 8 worden twee bezetenen genoemd:
“Wat hebben wij met U te maken, Zoon van God? Bent U hier gekomen om ons vóór de tijd te pijnigen? … Als U ons uitdrijft, stuur ons dan naar de kudde zwijnen.”
(Mattheüs 8, 29-31)
De kern is duidelijk dezelfde: de demonen erkennen Jezus, vrezen straf en vragen om in de zwijnen te mogen gaan. Toch verschillen de exacte woorden. Marcus spreekt over “Zoon van de Allerhoogste God”, Mattheüs over “Zoon van God“. Marcus gebruikt enkelvoud (”met mij”), Mattheüs meervoud (”met ons“). Dit laat zien dat de evangelisten de essentie wilden weergeven zonder gebonden te zijn aan identieke formuleringen.
Een opvallend voorbeeld: Pinksteren
Een nog duidelijker voorbeeld vinden we in Handelingen 2 bij de beschrijving van Pinksteren:
“Zij waren buiten zichzelf van verbazing en zeiden: ‘Zijn het niet allemaal Galileeërs die daar spreken? Hoe komt het dat ieder van ons hen hoort spreken in zijn eigen moedertaal? … Wij horen hen in onze eigen taal spreken over de grote daden van God.’” (Handelingen 2, 5-11)
Lucas schrijft dat de menigte “verbaasd was en zei“. In werkelijkheid sprak zo’n grote groep mensen niet in koor met identieke woorden. Zij voerden gesprekken en maakten verschillende opmerkingen.
Toch presenteert Lucas de menigte alsof zij als één stem spreekt. De opsomming van volken – van Parthen tot Romeinen – volgt bovendien een duidelijke geografische volgorde van oost naar west. Zo’n lijst kan onmogelijk spontaan door een menigte tegelijk uitgesproken zijn.
Dit lijkt op wat in de oudheid bekend stond als een Grieks koor[5], waarbij een groep mensen gezamenlijk spreekt om de betekenis van gebeurtenissen te verduidelijken. Lucas gebruikt deze literaire vorm om de reactie van de menigte samen te vatten.
De afzonderlijke personen zullen waarschijnlijk werkelijk dingen hebben gezegd als: “Hoe horen wij dit in onze eigen taal?” en “Zij verkondigen de grote daden van God.” De precieze woorden zijn echter waarschijnlijk samengevat en geordend om de betekenis van het wonder duidelijk te maken.
Hier zien we dus een echte gebeurtenis weergegeven met duidelijk gereconstrueerde dialoog.
Conclusie
De discipelen van Jezus hoefden niet elk woord letterlijk te onthouden om betrouwbare getuigen te zijn. In de oudheid werd geschiedenis geschreven door de kern van gebeurtenissen en toespraken weer te geven, niet door woordelijke transcripties te maken. De Evangeliën passen precies in deze historische traditie.
De Evangelisten wilden trouw zijn aan wat Jezus werkelijk zei en deed. Zij gaven de essentie van zijn woorden weer op basis van herinnering en overlevering. De verschillen in formulering tonen daarom geen onbetrouwbaarheid, maar bevestigen juist dat de Evangeliën echte historische getuigenissen zijn die de levende herinnering aan Jezus bewaren.
[1] Wat volgt is een anthologie van: PITRE Brant. The case for Jesus. Image/New York, 2016, p. 80-82.
[2] Transl. LCL, cited in Aune, The New Testament in its literacy environment, 92.
[3] Ratzinger, Jesus of Nazareth, 1.229
[4] Wat volgt is een samenvatting van het eerste deel van het artikel: Catholic Answers, Jimmy Akin, Reconstructed dialogue in the Bible, https://www.catholic.com/audio/tjap/reconstructed-dialogue-in-the-bible, gezien op 25 februari 2026
[5] Een Grieks koor ( Oudgrieks : χορός , geromaniseerd : chorós ) is in de context van de oude Griekse tragedie , komedie en saterspelen een homogene groep acteurs die met een collectieve stem commentaar leveren op de handeling van de scène waarin ze verschijnen (https://en-wikipedia-org.translate.goog/wiki/Greek_chorus?_x_tr_sl=en&_x_tr_tl=nl&_x_tr_hl=nl&_x_tr_pto=sge#:~:text=A%20Greek%20chorus%20(Ancient%20Greek,which%20has%20taken%20place%20offstage)
P. Jean
3. Kerk en wereld
Een gedreven pleidooi voor waarheid, vrede en cultuur vanwege de Nederlandse-Russische Marie Therese ter Haar. Deze oprichtster van de Rusland & Oost Europa Academie is meer dan 3 uur in gesprek met Jorn Luka in The Trueman Show #212. Ze getuigt vanuit haar meer dan 30-jarige ervaring en projecten in Oekraïne en Rusland. Ze schreef het boek Rusland en het westen: de verloren vrede, Aspect 2025. Het is een deskundig protest tegen de voortdurende oorlogspropaganda en de extreme russofobie van het westen, waarbij vele Europese landen hun economische zelfvernietiging bewerken:
***
Professor Ettore Gotti Tedesco, voormalig directeur van de Vaticaanse bank, schrijft een open brief aan Paus Leo XIV. Hij vraagt hem het kerkelijk leergezag uit te oefenen dat nu nodig is. Iedere tijd heeft een eigen vorm van Leergezag nodig. De pastorale constitutie over de Kerk in deze tijd, Gaudium et spes, stelde dat het mens zijn zelf aangetast wordt telkens wanneer we ons van het geloofsleven verwijderen. We zijn nu gezakt tot het niveau van een “religieuze onverschilligheid”.
Om tegemoet te komen aan de behoefte aan godsdienst en moraal willen wereldleiders een “technologisch geloof” en een “artificiële intelligente moraal” opdringen. Een stroming van globalisatie wil een nieuwe wereldorde opleggen door de instrumenten en de structuren te veranderen. Paus Benedictus XVI benadrukte echter dat eerder het hart van de mens moet omgevormd worden, maar er werd naar hem niet geluisterd. Ook de Kerk heeft al ruim een decennium lang uitzonderlijk veel aandacht besteed aan maatregelen om een ontspoorde economie aan te pakken in plaats van naar de diepere oorzaken te kijken.
Tegenover een mislukte globalisatie, een mislukt wereldleiderschap en een ingestort moreel leven moet het kerkelijk leergezag ons de weg wijzen naar de hoop op het eeuwig leven. Benedictus XVI wees in zijn encycliek Caritas in Veritate terecht op de nefaste invloed van het huidige nihilisme. Onze menselijke idealen kunnen echter alleen maar gerealiseerd worden in het licht van de goddelijke idealen. Zo zullen zelfs ouderen weer kunnen dromen (cf Handelingen 2, 17): https://lesalonbeige.fr/le-professeur-ettore-gotti-tedeschi-a-ecrit-une-lettre-ouverte-au-pape-leon-xiv/
***
Corintin DUGAST, Mourir pour la vérité. Sur les pas de Charlie Kirk, Via Romana, 2025 is een geestelijk én politiek testament om de missionaire ijver onder de christelijke jeugd aan te moedigen. De schrijver is zelf een jonge bekeerling, die wil sterven voor de waarheid, d.i. Jezus Christus. In het licht van de encycliek Quas primas (Pius XI, 1925), die het koningschap van Christus in het openbaar leven wilde herstellen en met het vuur van Charlie Kirk wil hij de christelijke jeugd aansporen om vooreerst eigen innerlijk leven te herstellen, wat altijd met een persoonlijke bekering gepaard gaat en vervolgens zonder vrees mee te werken aan het herstel van Christus’ Koningschap in het openbare leven.
Een maatschappij die Christus niet als Koning erkent valt vlug ten prooi aan allerlei ontwrichtingen: materialisme, hedonisme, totalitarisme… Charlie Kirk wilde op de universiteiten terug de honger naar de waarheid brengen, namelijk de honger naar Jezus Christus. In zijn dialogen met jongeren aanvaardde hij iedere jongere zoals hij of zij was. Verder respecteerde hij de geleidelijke groei door te vertrekken van het standpunt waar de andere zich bevond om hem of haar te brengen naar het volle licht van Jezus Christus: https://lesalonbeige.fr/charlie-kirk-et-la-jeunesse-chretienne/.
4. Nieuws uit de gemeenschap
De hulpgoederen waarmee we de meest behoeftigen in Syrië willen helpen, werden tot heden opgeslagen in de grote zaal onder de nieuwbouw. Het gaat vooral om voeding en kleding. We willen de nieuwbouw echter geleidelijk in orde brengen en gebruiken. Vorig jaar werd daarom voor de hulpgoederen een nieuwe opslagplaats voorzien.
Gedurende enkele dagen werd met man en macht gewerkt om de grote tent als opslagplaats in orde te maken. Sommige goederen bevonden zich nog in de nieuwbouw en moesten overgebracht worden. Aan de beide uiteinden van de tent werd een soort zolder gemaakt waar vooral lichte dozen met kleding gestockeerd werden.
De eerste zondag van de vasten in de byzantijnse liturgie is de zondag van de orthodoxie of van de iconen. Hiermee wordt het einde herdacht van de iconenstrijd die decennia lang het christelijk oosten in vuur en vlam zette. Het Tweede Concilie van Nicea in 787 herstelde de eredienst rond de iconen. De verering gaat immers naar God en de heiligen die afgebeeld worden. De strijd woedde echter verder. In een concilie in 843 werd voor goed de strijd beslecht en bepaald dat het herstel ieder jaar op de eerst zondag van de vasten zou herdacht worden. Na de eucharistie hielden we een processie in de kapel waarbij ieder een icoon droeg.
5. Enkele foto’s
Humanitaire hulpgoederen worden opgeslagen en geordend
Er wordt nog een doorgang voorzien
De Syrisch-orthodoxe bisschop van Seydnaya met monniken en ‘n 12-tal seminaristen









