21.8
20 Februari 2026
1. Meditatie:
Maria, de eerste gestigmatiseerde’ heilige
Het document van Vaticanum II over de Kerk, Lumen gentium, sluit af met Maria. In het licht van de grote vasten, die deze week begon, willen we nu mediteren over het lijden van Maria, dat innig verbonden is met dat van Jezus: Maria als eerste “gestigmatiseerde” heilige. Dit komt niet uit het Tweede Vaticaans concilie. Het is een gedachte van de Italiaanse pater kapucijn Raniero Cantalamessa, die me getroffen heeft en die ik hier wil uitwerken (1)
Het Moederschap van Maria is op bijzondere wijze verbonden met de zending van Jezus Christus. Zij draagt in zich de verwachting van het joodse volk en zelfs van de mensheid. De hunkering van de profeten naar de uiteindelijke Messias van Israël en de Verlosser van de mensheid komt in haar tot vervulling. Als moeder van Jezus bevindt ze zich in het hart van de grote Christusmysteries: Menswording, Pasen en Pinksteren.
Terwijl moeders meestal reeds gestorven zijn voordat hun kinderen sterven, heeft Maria heel intens niet alleen zijn geboorte en zijn kinderjaren beleefd maar ook zijn openbaar leven, veroordeling, lijden en kruisdood. Tenslotte zijn de apostelen en eerste christenen in gebed rond Maria geschaard om vervuld te worden van de Geest op Pinksteren en de eerste Kerk te vormen.
“Het ware Licht... kwam in de wereld ... en toch erkende de wereld Hem niet” (Johannes 1, 9v). Deze verwerping van Jezus hebben Maria en Jozef reeds vanaf zijn geboorte meebeleefd. Er was voor de geboorte van Jezus zelfs geen gepaste plaats zodat Maria haar Kind in een stal moest ter wereld brengen, te midden van dieren. Bij de opdracht van Jezus in de tempel spreekt de oude Simeon deze profetische woorden uit over Maria en haar innige deelname aan het lijden en sterven van Jezus:
“… uw eigen ziel zal door een zwaard worden doorboord” (Lucas 2, 35).
En het werd nog veel erger. Koning Herodes wilde meteen Jezus doden, waardoor het jonge gezin naar Egypte vluchtte. Het heilig gezin vestigde zich daarna in Nazareth, dat ‘geborgenheid’ betekent. We hebben alle reden om aan te nemen dat Maria, Jozef en Jezus hier in een verborgen goddelijke intimiteit een intens gezinsleven hebben beleefd. Het beslaat veruit het grootste deel van Jezus’ leven, bijna drie decennia lang. Deze kinder- en jeugdjaren zijn ongetwijfeld een tijd geweest van intens geluk, alleen verstoord door de angst van de zoektocht naar de 12-jarige Jezus na de bedevaart naar Jeruzalem.
In het openbare leven van Jezus is Maria zeker zijn eerste en trouwste leerlinge geweest. Zij zal niet alleen zijn handelen en spreken in zich opnemen en in haar hart bewaren (cf. Lucas 2, 51), maar ook lijden onder het ongeloof, de afwijzing en de groeiende haat. Het aanvankelijk succes van zijn prediking “met gezag” (Marcus 1, 22) en van zijn wonderen, wordt vlug overschaduwd. Jezus’ optreden in de synagoge van zijn eigen dorp Nazareth, geeft al een beeld van de uiteindelijke afloop:
“Allen betuigden Hem hun instemming en verbaasden zich, dat woorden, zo vol genade uit zijn mond vloeiden. Ze zeiden: is dat niet de zoon van Jozef?” (Lucas 4, 22).
Sommigen zijn vol bewondering en blij. Anderen zijn jaloers. Jezus die geen enkele academische opleiding genoten heeft, is te uitzonderlijk boven allen verheven. Het verzet tegen Hem zal toenemen en uiteindelijk zijn totale verwerping bepalen.
Op zijn prediktochten worden Jezus en zijn apostelen bijgestaan door vrouwen zoals Maria Magdalena, Johanna, Suzanna “en vele anderen die uit eigen middelen voor hen zorgden” (Lucas 8, 3). Ook zij hebben samen met Maria het groeiend succes én de toenemende afkeer meebeleefd. Misschien wilden ze Jezus verwittigen en beschermen tegen dit groeiend gevaar (cf. Mattheus 12, 46-50) zoals Petrus Jezus wilde behoeden om niet naar Jeruzalem te gaan (cf. Mattheus 16, 22). Hij is als een zwerver die nergens welkom is, niet in Nazareth, niet in Kafarnaüm en ook de Samaritanen willen Hem niet ontvangen (Lucas 9, 53):
“De vossen hebben holen en de vogels van de hemel hebben nesten, maar de Mensenzoon heeft geen plek waar Hij zijn hoofd kan neerleggen” (Mattheüs 8, 20).
Wanneer Hagar en haar zoon Ismaël door Abraham worden weggestuurd, dwalen ze rond in de woestijn en dreigen te sterven. Ze legt haar kind onder een struik en gaat weg: “Ik kan mijn kind niet zien sterven” (Genesis 21, 16). Dit is het tegendeel van de houding van Maria, die niet ‘toevallig’ in Jeruzalem is tijdens het proces tegen haar Zoon. Zij zal het hele verloop bewust meebeleven: de veroordeling door het Sanhedrin, de ‘vrijspraak’ door Pilatus en onmiddellijk daarop de verschrikkelijke geseling, zijn strompelen met de dwarsbalk door de straten van Jeruzalem en de gruwelijke kruisdood.
De Gregoriaanse zang van de 13e-eeuwse hymne “Stabat mater dolorosa” drukt helemaal het meeleven, meelijden en mee-sterven uit van Maria die onder het Kruis van Jezus staat. Ja, de Moeder van smarten stond onder het Kruis. Eens werd ik gevraagd te komen bidden in het ziekenhuis voor een stervende, te vroeg geboren baby. Aan de overkant van de couveuse stond de moeder. Het leek me dat beiden aan het sterven waren, de baby en de moeder. Hoeveel te meer zal Maria alle gruwelen tegen Jezus meegeleden hebben en vooral zijn uiterst pijnlijke doodstrijd en sterven door verstikking, naakt hangend aan het kruis!
Waarheid, goedheid en schoonheid op unieke, creatieve wijze samengebracht, noemen we kunst. Dat is de Pietà, het beeldhouwwerk van Michelangelo (+ 1564), de veelzijdige kunstenaar uit Firenze, nu te bewonderen in de Sint Pietersbasiliek te Rome. Het is het enige kunstwerk dat hij tekende. Het blok marmer ging hij zelf hiervoor uitkiezen in Carrara, de “hoofdstad van de marmer” in Toscane, Italië. Het beeld drukt de verbondenheid uit van Maria, die het dode Lichaam van haar Kind ontvangt en tegelijk in volledige overgave aan de Wil van de Vader, loslaat.
Sommige heiligen, zoals de Italiaanse Padre Pio (+ 1968), waren zo innig verbonden met Jezus’ lijden en sterven dat ze zijn kruiswonden of stigmata (brandmerken) zichtbaar in hun lichaam droegen. We hebben geen enkele reden om aan te nemen dat dit bij Maria zo was. Wanneer “gestigmatiseerd” echter eigenlijk betekent dat iemand het lijden en sterven van Jezus in zijn lichaam meebeleeft, hebben we alle reden om Maria, de Moeder van Jezus als de eerste “gestigmatiseerde” heilige te beschouwen.
Zij heeft zijn lijden en sterven met heel haar wezen doorleefd en werd daardoor getekend. Zij heeft Hem in haar schoot gedragen en gevormd, Hem ter wereld gebracht, Hem gevoed en opgevoed, Hem gevolgd in zijn openbaar leven, zijn uiteindelijke veroordeling door de religieuze en burgerlijke overheid, zijn geseling, kruisdraging en kruisdood. Maria is waarlijk op eminente wijze de eerste “gestigmatiseerde” heilige. Daarom is zij ook de eerste die, met lichaam en ziel opgenomen bij Hem, mocht delen in zijn Verrijzenis.
P. Daniel
(1) Raniero Cantalamessa was directeur van het departement van religieuze wetenschappen aan de universiteit van Milaan en zeer beslagen in de geschiedenis van de oude Kerk en de kerkvaders. Hij wilde als franciscaan kapucijn meer aan zijn roeping beantwoorden door alles op te geven en wandelende predikant te worden. Zijn oversten vroegen hem nog een jaar professor te blijven. In die tijd leerde ik hem kennen op internationale samenkomsten als een van de meest inspirerende geestelijke leiders van de wereldwijde beweging van de charismatische vernieuwing. In de eerste week na zijn ontslag aan de universiteit, kreeg hij een telefoon van het Vaticaan en werd hij gevraagd predikant te worden van de “pauselijke huishouding”, onder paus Johannes-Paulus II. Dit is hij gebleven van 1980 tot 2024, toen hij 90 jaar werd! Zijn boeken en toespraken heb ik steeds boeiend gevonden. Ook zijn boekje over de Eucharistie heb ik verslonden en nergens nog een zo heldere, diepe en bezielende uitleg aangetroffen. In 2020 werd hij tot kardinaal verheven en koos als spreuk: “Veni Creator Spiritus”.
2. Apologie: Met een atheïst over Jezus spreken (7)
Hoe konden de Evangelisten zijn woorden herrineren (I)
Wanneer we met agnosten en atheïsten spreken, is het belangrijk niet alleen ons geloof te delen, maar ook veelvoorkomende struikelblokken eerlijk te behandelen. Een bekende objectie is:
“hoe konden de discipelen zich de woorden van Christus zo nauwkeurig herinneren dat ze jaren later betrouwbaar werden opgeschreven?”
De herinneringen van Jezus’ leerlingen[1]
In de afgelopen decennia is er door nieuwtestamentische schriftgeleerden een enorme hoeveelheid werk[2] verricht met betrekking tot de vraag wat er gebeurde in de jaren tussen het leven van Jezus en het schrijven van de Evangeliën. Op basis van het bewijs dat het Nieuwe Testament levert, kunnen de ontwikkelingsfasen tussen Jezus en de Evangeliën als volgt worden geschetst. We volgen de uitleg van
Dr. Brand Pitre (dr. in theologie en specialist in het NT en oude Jodendom).
1. Het leven en onderwijzen van Jezus
Als Joodse rabbijn onderwees Jezus zijn “leerlingen” (Mathètai) in de context van een rabbijn-leerling relatie. Zijn leerlingen leefden zo’n drie jaar bij hem en leerden van hem. Gedurende deze tijd verwachtte Jezus van zijn studenten dat zij zich zouden “herinneren“ wat hij deed en hij droeg hen op om anderen te onderwijzen terwijl hij nog leefde.
Betreffende de noodzaak voor de discipelen om het onderwijs van Jezus te onthouden:
“Jullie hebben ogen, maar zien jullie niet? Jullie hebben oren, maar horen jullie niet? En herinneren jullie het je niet?” (Marcus 8:18)
“Herinner uw het woord dat Ik tot u gezegd heb: Een dienaar is niet groter dan zijn meester. Als ze mij vervolgd hebben, zullen ze ook u vervolgen. Als zij mijn woord bewaard hebben, zullen zij ook het uwe bewaren“ (Johannes 15, 20).
Over het feit dat de discipelen predikten toen Jezus nog leefde:
“En Hij riep de twaalf en begon hen twee aan twee uit te zenden en gaf hun gezag over de onreine geesten (...) Zo gingen zij uit en verkondigden dat de mensen zich moesten bekeren” (Marcus 6, 6-12).
2. De prediking van Jezus’ leerlingen
Na Jezus’ dood “herinnerden” de leerlingen van Jezus zich wat hij had gezegd en gedaan, en ze “onderwezen” anderen over wat ze hadden gezien en gehoord. Hun prediking was gebaseerd op de vaardige herinneringen van getrainde leerlingen en de ingestudeerde herinneringen van discipelen die herhaaldelijk predikten over wat Jezus zei en deed:
“Toen Hij dan uit de dood was opgewekt, herinnerden zijn discipelen zich dat Hij dit gezegd had, en zij geloofden de Schrift en het woord dat Jezus gesproken had“ (Johannes 2, 22).
“En alle dagen, in de tempel en van huis tot huis, hielden zij [de apostelen] niet op te onderwijzen en te prediken dat Jezus de Christus is“ (Handelingen van de Apostelen 5, 42).
“Toen zij [Petrus en Johannes] getuigd hadden en het woord van de Heer gesproken hadden, keerden zij terug naar Jeruzalem en predikten het Evangelie in vele dorpen van de Samaritanen“ (Handelingen van de Apostelen 8, 25).
3. Het schrijven van de Evangeliën
Uiteindelijk schreven de Evangelisten wat ze zelf hadden meegemaakt of wat hen was overgeleverd door ooggetuigen die vanaf het begin bij Jezus aanwezig waren.
“Dit is de discipel [Johannes] die over deze dingen getuigt en die deze dingen heeft opgeschreven, en wij weten dat zijn getuigenis waar is“ (Johannes 21, 24).
“Het heeft mij [Lucas] ook goed geleken, omdat ik alles van nabij heb gevolgd, om voor u, uitmuntendste Theofilus, een ordelijk verslag te schrijven, opdat u zekerheid hebt over wat u geleerd is” (Lucas 1, 3-4).
Eerst waren Jezus’ discipelen leerlingen die onthielden wat hij deed en wat hij zei. Hoewel we tegenwoordig de neiging hebben om het woord “discipel” te gebruiken om te verwijzen naar een “gelovige”, betekende het in de eerste eeuw na Christus letterlijk “student” (Grieks: mathetes, Hebreeuws: talmid).
Student zijn in de oude wereld was radicaal anders dan vandaag de dag, wanneer het simpelweg betekent dat je al dan niet drie keer per week naar een lezing van vijftig minuten luistert gedurende een semester. Een student van Jezus zijn betekende dat je hem overal volgde en altijd naar hem luisterde, ergens tussen één en drie jaar lang. Zoals de Evangeliën duidelijk maken, betekende het ook dat je moest onthouden wat hij zei:
“Maar ik heb u deze dingen gezegd, opdat u, wanneer hun uur komt, zich zult herinneren dat ik ze u gezegd heb. Ik heb u deze dingen niet vanaf het begin gezegd, omdat Ik met u was”. (Johannes 16,4)
Als we het bewijs voor de apostolische oorsprong van het Evangelie serieus nemen, dan zijn de vier Evangelies niet gebaseerd op de herinneringen van zomaar iemand. Ze bevatten of de herinneringen van leerlingen van Jezus (Evangelie van Matteüs en Johannes) of zijn gebaseerd op de herinneringen van leerlingen van Jezus die aan hun volgelingen werden doorgegeven (zoals Marcus’ verslag van de leer van Petrus). Zelfs het Evangelie van Lucas beweert gebaseerd te zijn op de getuigenis van hen die vanaf het begin van Jezus’ prediking ooggetuigen waren (Lucas 1, 1).
Ten tweede zouden de discipelen van Jezus in de jaren tussen de dood van Jezus en het schrijven van de Evangelies hun herinneringen tijdens het prediken en onderwijzen regelmatig hebben geoefend (Matteüs 10,1-23; Marcus 6,7-12 en Lucas 9,1-10). Eén reden waarom dit belangrijk is, is dat, zoals Richard Bauckham het stelt:
“Veelvuldig herinneren een belangrijke factor is voor zowel het vasthouden van de herinnering als de nauwkeurig herinnering ervan[3]”.
De leraar weet dat dit waar is. [Hier geeft Dr. Brant Pitre een persoonlijke opmerking]: Ik kan je misschien niet vertellen wat ik vorige week heb gedaan, maar ik kan je zonder enige voorbereiding een drie-uur durende lezing geven over Jezus en de Joodse wortels van het Laatste Avondmaal, omdat ik het er de afgelopen tien jaar voortdurend over heb gehad. Dat is een belangrijk verschil tussen ingestudeerde herinneringen en incidentele herinneringen.
Conclusie
Wanneer we deze gegevens rustig uitleggen, zien agnosten en atheïsten dat de Evangeliën groeiden uit een cultuur van leerlingschap, memorisatie en voortdurende herhaling — niet uit vage of toevallige herinneringen. De woorden van Jezus werden geleerd, geoefend, verkondigd en pas daarna opgeschreven.
P. Jean
[1] Wat volgt is een anthologie van: PITRE Brant. The case for Jesus. Image/New York, 2016, p. 84-101
[2] Zie Eric Eve, Behind the Gospels: understanding the oral Tradition. See also Bird, The Gospel of the Lord, 75-124; Paul Rhodes Eddy and Gegory A. Boyd, The Jesus legend: a case for the historical reliability of the synoptic Jesus Tradition (Grand Rapids, MI: Baker Academic, 2007), 237-308.
[3] Bauckham, Jesus and the eyewitnesses, 334, cf. 323, 346.
3. Kerk en wereld
Een « memoricide » heeft de moderne maatschappij én de Kerk sterk beïnvloed. Het is een nieuw woord, een neologisme voor het uitwissen van de herinnering. Het is de titel van het boek van Philippe de Villiers, Mémoricide, Fayard, 2024, dat sommigen al profetisch noemen. Schrijver is burggraaf en oud-politicus, stichter en voorzitter van Mouvement pour la France. Hij is de bedenker en oprichter van het geschiedkundig themapark Puy du Fou in Les Epesses (1978, departement Vendée, Frankrijk), waarvan zijn zoon Nicolas directeur is en dat in 2025 meer dan 3 miljoen bezoekers trok. Philippe kreeg hiervoor als eerste Fransman de prestigieuze internationale prijs Hall of Fame Award. Er zijn al filialen van Puy du Fou in Spanje, China en Nederland, die uit hun eigen geschiedenis inspiratie zullen putten voor hun opvoeringen.
In zijn boek huldigt schrijver de roemvolle gebeurtenissen die Frankrijk groot gemaakt hebben. Het boek heeft drie delen. “Mémoire pénitentielle” behandelt de schandalige, vulgaire openingsceremonie van de Olympische spelen in Parijs (2024). In “mémoire invertie” handelt hij over het omdraaien en manipuleren van de morele waarden door abortus, euthanasie, de transgenderideologie als (constitutioneel!) recht. Ook de westerse Kerk schijnt geneigd om te vernietiging wat zijn eigen Grieks-Latijnse, christelijke beschaving groot heeft gemaakt. Tenslotte worden in “mémoire salvatrice” de grootheid in herinnering gebracht o.m. van de Notre Dame, de inzet van Jeanne d’Arc, de weerstand van de Vendéé tijdens de genocide, bevolen door de Nationale Conventie (1793-1794).
Pittig detail dat in het boek niet vermeld wordt: Puy du Fou kon in 2016 de authentieke ring kopen die Jeanne d’Arc gedragen heeft. Hij bevat de inscriptie “Jhesus Maria” en drie kruisen. Zij had deze ring gekregen van haar ouders bij gelegenheid van haar eerste communie in de parochiekerk van Domrémy. Gans haar leven heeft ze deze ring aan haar linker wijsvinger gedragen uit eerbied voor Jezus en Maria.
In 1431 nam bisschop Cauchon, die het proces tegen haar voorzat, deze ring af. Jeanne smeekte hartstochtelijk om die ring terug te geven maar Cauchon gaf hem ostentatief aan zijn vriend, de Engelse kardinaal Henry Beaufort. Sinds de veroordeling van Jeanne d’Arc tot de brandstapel in Rouen in 1431, bleef de ring in Engeland. Bij het nieuws over de veiling van deze ring heeft Puy du Fou op enkele dagen tijd voldoende donoren gevonden om de nodige 376.833 € bij elkaar te krijgen en de ring te kopen. Op 20 maart 2016 werd in het kasteel van Puy du Fou een feestelijke herdenkingsplechtigheid gehouden.
Een eerste tegenaanval werd gelanceerd door mensen die beweerden dat de ring niet echt maar vals was. Toen duidelijk bleek dat het wel degelijk de ring van Jeanne d’Arc was, beweerden Engelse advocaten dat de ring historisch erfgoed van Engeland is en niet mocht verkocht worden. Alles was echter wettelijk verlopen en Philippe de Villiers antwoordde de belagers dat alle Britten die dit historisch erfgoed koesteren welkom zijn in Puy du Fou! https://lesalonbeige.fr/crise-de-civilisation-la-modernite-nous-enferme-dans-une-impasse/. https://lesalonbeige.fr/nouveau-record-de-visites-pour-le-puy-du-fou/
Inmiddels publiceerde Philippe de Villiers nog een boek: Populicide, Fayard, 2025. Het is als zijn testament over de uitroeiing van het Franse volk waartoe hij behoort en waarvan hij houdt. Het is een proces dat al 25 jaar bezig is, met de medewerking van de intellectuele, morele en geestelijke leiders van het volk. Hij ziet hoe de afgrond zich opent en wil een laatste noodkreet uitschreeuwen naar hen die nog Fransman willen zijn en naar jongeren die het willen worden en er nog in geloven.
***
Zeer merkwaardige ontwikkeling in de regio Vologda in Noord Rusland. Georges Filimonov, gouverneur van deze provincie wilde aanvankelijk abortus totaal verbieden, maar vond deze maatregel uiteindelijk niet nodig. Hij heeft constructieve gesprekken gevoerd met klinieken, organisaties en de kerkelijke leiding van de orthodoxe kerk. Resultaat: abortus is met 92% gedaald. Vanaf de maand mei vorig jaar waren er geen privé abortusklinieken meer. In het eerste trimester van 2025 waren er 32 abortussen, allen om medische redenen, tegenover 420 in het eerste trimester van 2024.
“Het gezin is het fundament van alles. Wij scheppen de voorwaarden voor een gezonde, dynamische en gelukkige toekomst in de provincie Vologda opdat de gezinnen veilig en vertrouwvol de toekomst tegemoet gaan”
De bevolking kampt nog steeds met de verwoestende gevolgen van zijn Sovjetverleden. Het was toen heel gewoon dat vele vrouwen verschillende abortussen ondergingen. Het blijven werken in de fabriek, ook door vrouwen, was toen het grote streven. Nu zijn er al negen andere provincies waarin privéklinieken abortus weigeren. Ook de centrale regering zet zich erg in voor gezonde gezinnen. Op 28 januari werd hierover een conferentie georganiseerd in Moskou onder de titel: “Terug naar de toekomst”: https://lesalonbeige.fr/lavortement-a-diminue-de-92-dans-une-region-russe/
4. Enkele foto’s
Onze medische missie in september vorig jaar in Z en N Libanon met een ploeg verpleegsters en verplegers, een huisarts, een kinderarts en een gynaecoloog met een ‘hospitainer’ (een rijdend hospitaal én operatiezaal)












Prachtig, elke week geniet ik van uw brief.
Ik wens u een goede gezondheid,
Mvg,
Mevr. M. Captijn, Driehuis NH